Openingsspeech Algemene Leden Vergadering 28 november 2018.

BLOG voorzitter

29 november 2018

 

Naar aanleiding van de openingsspeech bij de najaarsvergadering van 28 november 2018 hierbij de openingstekst

 

Beste Collega’s,

 

Welkom bij deze alv van de onderwijsbestuurdersvereniging. Wederom voor de alv van de vo raad georganiseerd om het makkelijk te maken hierbij aanwezig te zijn. Dit keer hebben we uitsluitend een alv georganiseerd en niet ook een lezing. We zullen de volgende keer weer overwegen dat wel te doen om het zo aantrekkelijker te maken aanwezig te zijn. Ook zijn we druk doende om onze collega’s te benaderen die nog geen lid zijn van de OBV. De vraag is dan waarom hebben we een belangenvertegenwoordiger nodig voor de beroepsgroep als we al de VO raad hebben. Ik denk dat deze vraag een terechte vraag is die wij met elkaar moeten kunnen beantwoorden om het belang duidelijk te maken. Ik wil daar graag even op in gaan:

 

Een belangenorganisatie voor een beroepsgroep is er om de behoefte van de natuurlijke beroepsbeoefenaren te behartigen. Het lijkt wel een vakbond. Maar waarom is dat nodig? Voor ons als bestuurders geldt dat er verschillende redenen zijn om onze belangen te laten behartigen. Dat kun je natuurlijk als individueel bestuurder ook altijd zelf maar collectief kun je meer invloed hebben. Zo kun je op het gebied van arbeidsvoorwaarden, juridische bijstand, Governance en professionalisering belangen gemeenschappelijk laten behartigen. Arbeidsvoorwaarden door het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst waarbinnen je afspraken kunt maken met je RvT. Het zorgt voor een meer ordentelijk gesprek met zekerheden, zodat je niet alles zelf hoeft af te spreken maar je richtlijnen hebt. Dat is prettig voor zowel bestuurders als toezichthouders. Je kunt de arbeidsvoorwaardelijke zaken ook landelijk behartigen door met ministerie gesprek te voeren over arbeidsrecht, pensioenen en WNT bijvoorbeeld. Zaken die je alleen niet kunt omdat je de ingangen niet hebt. Een tweede belangrijke reden is de juridische ondersteuning. Dit is een belangrijke bestaansgrond voor de vakbonden. Individuele ondersteuning en ook collectief arbeidsrecht bijvoorbeeld aan leden en als DGO gesprekspartner. Dat laatste hebben wij als bestuurders natuurlijk niet nodig omdat we vaak alleen of met twee in een organisatie werken. Persoonlijke juridische bijstand echter wel. Heeft ieder van ons dat goed geregeld? Op het gebied van Governance gaat het specifiek om onze positie in het bestuurlijk veld, relatie CvB met RvT, een goed samenspel tussen bestuur en toezicht zoals laatst onderzocht door de commissie Grootjen. Daarnaast Governance wetgeving en Governance codes. Hebben wij er al eens over nagedacht dat in de Governance codes van de VO-Raad e.d. onze persoonlijke belangen wel eens zouden kunnen worden geschaad? Ik niet, maar het zou kunnen als de verantwoordelijkheden verschuiven terwijl we wel wettelijk aansprakelijk zijn. Neem als voorbeeld de AVG. Is er iemand geweest die met de wetgever heeft gesproken of het wel moreel is dat de bestuurders persoonlijk aansprakelijk worden gesteld bij een datalek? Tenslotte gaat professionalisering ons allen aan. Om vertrouwen te krijgen van een ander , zegt Onara O’Neill het volgende “filmpje”

Professionalisering is dus mede een antwoord op onze eigen intrinsieke motivatie ons werk goed te doen maar draagt ook bij aan het vertrouwenwekkende beeld dat wij graag uitstralen naar de samenleving. Ik denk daarom dat een beroepsvereniging als de OBV een wezenlijke plek heeft als vertegenwoordiger van de beroepsgroep bestuurders in het onderwijs en roep op om samen te zorgen dat onze collega’s de betekenis hiervan mede gaan inzien en lid worden. Laten we een sterke beroepsgroep worden.

 

Marc Mittelmeijer

Voorzitter a.i.

De Staat van het Onderwijs is weer opgemaakt.

Evenals in eerdere opmaken vindt de Inspectie dat het onderwijs nog niet aan alle leerlingen dezelfde kansen biedt. Over deze stelling heb ik in deze blog al eens gedachten uitgeschreven. Die zal ik niet herhalen (zie 2).

Gelukkig voor mij was er in de onderwijs-layout van 2018 een nieuw element. De Inspectie signaleert dat het niveau van leerlingen en studenten terug aan het lopen is. Als onderwijsbestuurder trok ik me dit persoonlijk aan. Onderwijsbestuurders hopen dat zij door een goede organisatie van hun instelling de professionals in de gelegenheid stellen het beste uit hun leerlingen te halen. Als het niveau van leerlingen aan het dalen is, dan lijken onderwijsbestuurders daar grosso modo niet in te slagen. Want stellen, of roepen, dat het aan de professionals ligt, dat de docenten van nu minder goed zijn dan de docenten van toen, is te makkelijk. Bovendien, als de docenten die in het onderwijs werken ‘slechter’ zijn geworden, dan zijn de bestuurders daarvoor medeverantwoordelijk, of misschien wel hoofdverantwoordelijk. Hadden wij onze docenten maar eerder naar Master-bijscholingstrajecten moeten sturen of eerder een eigen Academie moeten oprichten. Of meer vertrouwen moeten hebben in onze docenten en het geld dat nu naar bijscholingstrajecten en eigen Academies gaat in de salariëring moeten laten steken.

Als het niveau van leerlingen aan het dalen is, dan raakt dat de kern van het onderwijsbestuur. Dus vroeg ik mij af hoe de Inspectie tot deze conclusie gekomen was.

Na lezing en herlezing van de Opmaak van het Onderwijs 2018 is mij dat nog steeds duister. In het rapport signaleert de Inspectie in de cijfers van nationale toetsen een dalende trend voor de leesvaardigheid en rekenvaardigheid. Internationaal scoren Nederlandse leerlingen ook minder goed dan een jaar of vijf terug. Omdat bij zo’n trend vaak als vanzelf gewezen wordt naar de toename van leerlingen met een ‘migratie-achtergrond’, zegt de Inspectie er meteen bij dat dit niet de beslissende factor kan zijn. Er zitten grote verschillen tussen scholen met een vergelijkbaar aantal leerlingen met een ‘migratie-achtergrond’. Dus, lijkt de Inspectie te willen zeggen, dus ligt het aan de organisatie van de scholen. En passant bereidt de Inspectie daarmee de aanbeveling voor meer aandacht te besteden aan kwaliteitszorg.

Het cijfermateriaal dat in dit rapport langs komt, vind ik te mager om enige trend te signaleren. De cijfers die de Inspectie gebruikt, zijn verzameld over een beperkt aantal jaren. Soms drie, soms vijf. Binnen die zeer kleine cijferreeksen doet de Inspectie aan selectief winkelen. Zo signaleert de Inspectie dat de examenresultaten van VO-leerlingen voor wiskunde in 2017 minder waren dan in de jaren daarvoor, maar daarin ziet de Inspectie (vooralsnog) geen trend naar beneden. Bij taalvaardigheid acht de Inspectie het aantal leerlingen dat het streefniveau voor taalvaardigheid bereikte, juist wel relevant, terwijl het daar om een uitschieter naar beneden lijkt te gaan. Bij rekenvaardigheid zijn de cijfers over 2017 beter dan in eerdere jaren, maar toch signaleert de Inspectie hier een dalende trend.

Corrigeren we voor de selectieve winkelroute van de Inspectie, dan blijft het materiaal uit ‘internationale studies’ over. Inderdaad, waar in andere landen het niveau voor rekenen en taal stijgt, is dat in Nederland hakkelend gedaald. (http://timssandpirls.bc.edu/timss2015/international-results/) Maar Nederland is niet het enige land waar het niveau dalend heet te zijn. Wie zich niet prettig voelt in het gezelschap van Koeweit en Saudi Arabië, zal zich mogelijk wel thuis voelen bij Duitsland en – nog niet zo lang geleden geprezen als hèt onderwijsland – Finland. En, tja, voor dit soort internationale vergelijkingen geldt dat de factor ‘migratie-achtergrond’ natuurlijk niet uitgefilterd kan worden vanuit de constatering dat scholen met veel ‘allochtone’ leerlingen het niet per se ‘slechter’ doen dan scholen met weinig ‘allochtone’ leerlingen.

Met alle respect voor de poging van de Inspectie om elk jaar bij het opmaken van de balans, stof tot maatschappelijke discussie te leveren, heb ik het idee dat de stof die dit jaar neerdwarrelt de moeite van het opvegen nauwelijks waard is.

Dat betekent niet dat we als bestuurders niet aan de kwaliteit van onze organisaties en van onszelf moeten blijven werken. Het betekent wel dat we ons daarbij niet te veel moeten laten (af)leiden door wat de Inspectie allemaal denkt te observeren.

1 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2018/04/11/rapport-de-staat-van-het-onderwijs)

2 (http://www.onderwijsbestuurdersvereniging.nl/blog-van-de-voorzitter/kansenongelijkheden/ )

Wim Littooij, Voorzitter

Wim Littooij, Voorzitter

Een beroepsvereniging voor onderwijsbestuurders

Het afgelopen (school)jaar hebben we als OBV contact gezocht met de BvPO, de vereniging voor bestuurders in het Primair Onderwijs. Het doel daarvan was het inventariseren van mogelijkheden tot samenwerking.

Er zijn verschillende vormen van samenwerking. Daarover is de knoop nog niet doorgehakt. Wel hebben we over en weer vastgesteld dat er goede redenen zijn om de samenwerking te intensiveren. En hieronder werk ik deze voor u uit. De redenen voor samenwerking komen niet zozeer voort uit de belangenbehartiging van de leden bij cao-onderhandelingen. Immers, tussen het Voortgezet Onderwijs en het Primair Onderwijs zijn er arbeidsrechtelijk nogal wat verschillen. Dat de belangen van bestuurders in vanuit deze twee verschillende verenigingen ingebracht worden, geeft geen knelpunten.

Allereerst is meer samenwerking wel gewenst waar het gaat om de professionaliseringsslag die we als bestuurders willen maken. Een instelling voor Primair Onderwijs is weliswaar bestuurlijk niet in alle opzichten vergelijkbaar met een instelling voor Voortgezet Onderwijs, maar de competenties en vaardigheden die de persoon van de bestuurder betreffen, zijn niet sector-specifiek. Bestuurders uit de ene sector zullen soms de overstap maken naar de andere sector. Opleidingen die voor een bestuurder in de ene sector nuttig zijn, zullen voor een bestuurder in de andere sector zeker niet nutteloos zijn. In het streven naar een gedragscode voor bestuurders is denken vanuit verschillende onderwijs-sectoren een handicap. Mocht er in de toekomst een register voor onderwijsbestuurders ingesteld worden, dan zal dit een register voor alle onderwijsbestuurders moeten kunnen zijn. Immers, niemand kan willen dat een bestuurder die in de ene sector voldoet aan voorwaarden voor registraties, niet werkzaam zal kunnen zijn in de andere sector.

Ten tweede geldt in de huidige institutionele context een aanvullend argument voor samenwerking van bestuurdersverenigingen. In de professionaliseringsslag spelen organisaties als de PO-raad, de VO-raad en de MBO-raad een belangrijke rol. Dat is prima, want deze organisaties hebben intern al een professionaliseringsgolf doorgemaakt, en zijn voor het Ministerie van OCW en de onderwijsinstellingen bekende gesprekspartners. Deze organisaties richten zich echter op de kwaliteit en de belangen van de onderwijs-instellingen als zodanig.

Omdat er sectorspecifieke verschillen zijn tussen organisaties in het PO, VO en MBO, kunnen deze raden niet toegroeien naar een algemeen, sectoroverstijgend perspectief. Aan een dergelijk perspectief is echter wel behoefte.

Hiervoor zijn andere organisaties nodig, zoals de Onderwijscoöperatie en de VTOI. Een organisatie voor onderwijsbestuurders waarin bestuurders uit verschillende onderwijssectoren verenigd zijn, kan de belangen en de opleidingsbehoefte van bestuurders vanuit een algemeen, sector-overstijgend perspectief inbrengen. Deze organisatie zal in de professionaliseringsslag in het onderwijs een belangrijke, eigen rol kunnen spelen.

Ik hoop dat aan het einde van het volgend schooljaar de samenwerking tussen bestuurders in het Voortgezet Onderwijs en bestuurders in het Primair Onderwijs vrucht zal hebben gedragen, en het perspectief van onderwijsbestuurders herkenbaar en duidelijk ingebracht kan worden in discussies over kwaliteit van onderwijs en goed bestuur.

Wim Littooij, Voorzitter

Wim Littooij, voorzitter OBV