Kansenongelijkheden

Nadat in De Staat van het Onderwijs 2014/2015 de Inspectie van het Onderwijs signaleerde dat de kansenongelijkheid in het onderwijs groeit, is het thema terug op de onderwijsagenda geplaatst. In een brief van 25 januari 2017 heeft de VO-raad het onderwerp ‘gelijke kansen in het onderwijs’ nogmaals onder de aandacht gebracht van de Tweede Kamer met oog op het geplande debat hierover van 30 januari.[VO-raad over kansengelijkheid]

In deze brief staat een passage die ik onder uw aandacht wil brengen:

“Uitgangspunt van de VO-raad is (…) dat wij moeten inzetten op een ongelijkere benadering van leerlingen om gelijke kansen te bereiken. Daarnaast is de VO-raad van mening dat in het bereiken van gelijke kansen niet het behalen van het hoogst mogelijke onderwijsniveau voor elke individuele leerling het streven zou moeten zijn, maar het behalen van het niveau dat het beste aansluit op de talenten van de leerlingen.”

Het uitgangspunt dat in de eerste zin wordt verwoord, is helder. De VO-raad vindt dat het bieden van gelijke kansen niet betekent dat alle leerlingen op dezelfde manier benaderd moeten worden. De ene leerling moet didactisch op een andere wijze worden benaderd dan de andere. Sommige leerlingen hebben extra ondersteuning nodig. Er zijn leerlingen die goed gedijen bij digitaal, datagestuurd en gedifferentieerd onderwijs. En er zijn leerlingen die het beste gedijen in een klas waarin alle leerlingen ongeacht het ‘niveau’ hetzelfde boek gebruiken, en alle opdrachten gewoon op papier gemaakt worden. Het is goed dat de VO-raad zo indirect benadrukt dat we niet alle leerlingen in een digitale onderwijsmolen moeten vermalen.

Deze tweede zin is cryptischer. De term ‘niveau’ wordt in het onderwijs meestal begrepen in de zin van “VWO is hoger dan HAVO, HAVO is hoger dan VMBO TL, VMBO TL is hoger dan VMBO KB, en VMBO KB is hoger dan VMBO BB”. Je kunt de tweede zin dan op twee manieren interpreteren:

  • We moeten deze manier van denken loslaten. Een VWO-diploma is per se niet ‘hoger’ dan een VMBO-diploma. Waar het om gaat is dat het diploma dat een leerling haalt aansluit bij de talenten van dat kind. Een diploma dat daarbij aansluit is, voor dat kind, het hoogst mogelijke niveau. Als voor de functie van kapper, monteur of softwareprogrammeur een VMBO-diploma feitelijk een betere maatschappelijke uitgangspositie is dan een VWO-diploma, dan is voor een kind met talenten voor deze functies een VMBO-diploma ‘hoger’ dan een Vwo-diploma.
  • Een VWO-diploma is ‘hoger’ dan een VMBO-diploma, en het zou niet verkeerd zijn als elk kind het hoogst mogelijke diploma zou halen want hoe hoger het diploma, hoe beter de startpositie voor de maatschappij en de arbeidsmarkt. Maar aan het niveau blijven trekken, kost te veel en levert te weinig op. In plaats van te blijven proberen kinderen naar een zo hoog mogelijk niveau te tillen, moeten we ons op enig moment richten op de talenten van die kinderen.

Als we de eerste interpretatie volgen, is de vraag niet alleen wanneer bepaald kan worden welk diploma voor welke leerling het meest waardevol kan zijn, maar vooral ook hoe dat zou moeten gebeuren. Er ligt hiervoor nog geen betrouwbare ‘talenten-test’ voor op de plank.

In de tweede interpretatie biedt de wijze waarop we nu het niveau van leerlingen meten houvast. We hebben IQ-testen, CITO-uitslagen en de cijfers van leerlingen voor methode-onafhankelijke reken- en taaltoetsen. Bij de overgang van het PO naar het VO – of in het derde jaar van het VO – kunnen we redelijk bepalen of een leerling op VMBO-, HAVO- of VWO-niveau zit, en we zullen ook een redelijk idee hebben over of die leerling, met nog een beetje extra trekken, een ‘hoger’ niveau zou kunnen halen. Als een leerling, ook nadat die extra ondersteuning heeft gekregen, op VMBO-niveau scoort, kunnen we besluiten dat het niet zinvol is te kijken of die leerling misschien niet toch het HAVO-niveau aan kan. Bij die leerling zouden we ons dan meer gaan richten op het ontwikkelen van talenten.

In de tweede interpretatie zit een asymmetrie die een vraag oproept. Het soort overweging dat gemaakt wordt, lijkt alleen toepasbaar op leerlingen die naar gangbare maatstaven matig of slecht scoren. De vraag is hoe we dit moeten toepassen op leerlingen die naar gangbare maatstaven goed tot uitstekend scoren. Het is mogelijk dat een leerling die op klassieke cognitieve vaardigheden goed scoort, vooral talent heeft voor een zeer praktisch beroep. Misschien is het voor die leerling, met die specifieke combinatie van vaardigheden en talenten, beter dat die zo snel mogelijk een beroepsgericht opleidingstraject ingaat in plaats van dat die via het VWO een academische studie gaat volgen om er dan op het vijf-en-dertigste levensjaar achter te komen dat de passie en het talent ergens anders lag. Toch is het niet goed denkbaar dat het onderwijs een leerling met een hoge CITO-score en negens en tienen voor Wiskunde en Taal in de richting van het VMBO-KB zou adviseren, ook niet als de talenten en de passie van de leerling duidelijk in een beroepsgericht domein liggen.

Het is goed dat het denken over gelijke kansen in het onderwijs niet stil staat. Ik ben er althans voor mezelf nog niet uit.

Leeuwarden 30 januari 2017
Wim Littooij
Voorzitter OBV