Bij de miljoenennota

Elk jaar kijk ik de derde dinsdag van september uit naar het moment waarop de Rijksoverheid de stukken van de miljoenennota digitaal publiceert. Dit jaar konden ze gedownload worden vanaf de speciale ‘Prinsjesdag’-pagina. Dit jaar gaat het om 58 documenten met een digitale omvang van 70 MB. Hoeveel pagina’s het alles bijeen is, heb ik niet nagegaan. Alleen het hoofdstuk “onderwijs en wetenschap” (3,7MB) telde 255 pagina’s.

Ik heb me noodzakelijkerwijs beperkt tot het lezen van de paragraaf waarin de beleidsartikelen voor het voortgezet onderwijs uitgeschreven worden[1]. Bijna onmiddellijk was ik heel blij dat ik geen tijd had om de hele miljoenennota te lezen. De tekst begon zowaar met een paar zinnen die mijn hele loopbaan in het onderwijs gedomineerd zullen hebben, maar dat zonder dat ik me er echt bewust van was.

Daar stond het, tweede alinea:
“De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.”
Ik heb even geknipperd met de ogen. Doorheen mijn loopbaan ben ik er altijd van overtuigd geweest dat de verantwoordelijkheid voor het onderwijs ligt bij docenten, schooldirecties en onderwijsbestuurders. Die moeten, elk vanuit hun specifieke rol maar aanvullend op elkaar, de last dragen. Nu, bij het lezen van de miljoenennota, lijk ik me al die jaren vergist te hebben. De verantwoordelijkheid voor het onderwijs lag al die tijd eigenlijk bij de Minister. Hadden ze me dat niet even eerder kunnen vertellen!

Wim Littooij, Voorzitter

Wim Littooij, Voorzitter

Omdat mijn wereldbeeld door die passage kantelde, heb ik me vervolgens afgevraagd of ik het door slordig lezen of gebrek aan aandacht heb laten kantelen. Als al die tijd (sinds wanneer heeft een dergelijke passage in de Miljoenennota gestaan?) de Minister de verantwoordelijkheid voor het onderwijs heeft gedragen, dan zouden onderwijsbestuurders, directies en docenten toch al heel lang geleden met een zucht van verlichting op de automatische piloot zijn gaan draaien. Mijn interpretatie van de passage ‘kon’ niet juist zijn.

Ik heb de passage dus enkele malen herlezen, apart en samen met de passages eromheen. Ik verwachtte en hoopte dat daardoor mijn wereldbeeld zou terugkantelen door een taakverdeling tussen de Minister enerzijds en anderzijds docenten, directies en besturen. Zo van: de Minister is verantwoordelijk voor het onderwijs-STELSEL en de docenten, directies en besturen zijn verantwoordelijk voor het ONDERWIJS in dat onderwijsstelsel. Twee passages steunden die interpretatie. De eerste staat meteen onder de passage die ik al geciteerd heb:
“De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.”
Deze passage paste prima binnen mijn vertrouwde wereldbeeld. De Minister zorgt ervoor dat er binnen de rijksbegroting voldoende geld gereserveerd wordt opdat docenten, directies en besturen de verantwoordelijkheid kunnen dragen die zij moeten dragen. Dat gold ook voor de passage daarna:
“De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.”
Dat van die ‘wet- en regelgeving’ klinkt wat omineus maar de passage heeft duidelijk betrekking op extraatjes, en dan overwegend op de financiering van die extraatjes. Er is geen reden te denken dat een Minister in het kader van het stimuleren van specifieke onderwerpen zou gaan doen wat in de passage daarna wordt aangekondigd:
“De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.”

Ineens – ik zal deze passages vast al wel eens eerder gezien hebben – krijg ik deze zin niet meer gelezen vanuit het idee dat er een taakverdeling is tussen Minister en ‘het veld’. Want het staat er letterlijk: de Minister heeft een regisserende rol, en die regisserende rol heeft niet betrekking op het in stand houden van het onderwijs-STELSEL maar op de kwaliteit van het onderwijs dat in dat stelsel gegeven wordt. De Minister is de baas. Niet alleen over de centen, en niet alleen over het naleven van protocollen rond het melden van vechtpartijen en examencijfers. Nee, zij is verantwoordelijk voor het onderwijsplaatje in zijn geheel, van de kledij van de conciërge, via de doceerstijl van docenten tot de inhoud van de leerboeken.

Dat verklaart waarom in de rest van de paragraaf over het voortgezet onderwijs allerlei doelstellingen, indicatoren en kengetallen worden uitgeschreven. Zo heeft de Minister de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de doelstelling dat “alle leerlingen en studenten worden uitgedaagd”. Voor de onderwijswerkers die ik de afgelopen decennia ben tegengekomen spreekt het voor zich: je moet leerlingen en studenten uitdagen. De meeste van die onderwijswerkers deden volgens mij ook hun best om de daad bij het woord te voegen. Maar dat hadden ze niet hoeven te doen, begrijp ik nu. De verantwoordelijkheid voor het uitdagen van leerlingen en studenten ligt bij de Minister. Die heeft die doelstelling ook uitgeschreven in cijfers. Zo weet de Minister dat in 2014 de toptalenten onder leerlingen en studenten in het onderwijs 54% onvoldoende uitgedaagd werd. Er is op het punt van die doelstelling sindsdien vooruitgang geboekt want, zo weet de Minister, in 2016 verveelde zich nog slechts 46% van die toptalenten. Maar dat is de Minister nog niet genoeg. De Minister wil dat dat percentage in 2018 gedaald is tot onder de 25%.

Jarenlang heb ik de onderwijsdoelstellingen die de Minister in de miljoenennota en andere stukken formuleerde beschouwd als ”aansporingen” aan het onderwijsveld. “Mensen, doen jullie je best om alle leerlingen en studenten uit te dagen, jullie hebben mijn vertrouwen!” Maar het zijn al die tijd directieven geweest van de grote Onderwijsregisseur die in Den Haag zetelt. Als om iedereen ervan te doordringen uit welke hoek de verantwoordelijkheidswind zwaait, staan er tegenwoordig dan exacte, tot op twee decimalen afgeronde “targets” bij. Aandeel toptalenten dat zich verveelt moet minder dan 25% zijn, aantal zittenblijvers moet naar 3,9 %, aandeel docenten dat deelneemt aan ‘peer review’ moet naar 100%, aantal thuiszittende leerlingen moet over twee jaar 0% zijn.

Veel van de doelstellingen die de Minister in de Miljoenennota formuleert, komen op mij sympathiek over, de meeste zou ik zelf – met enige nuancering – onderschrijven, en ik denk dat bijna iedereen die in en rond het onderwijs werkt dat zou doen.

Ik zou het echter liever zien dat de Minister het formuleren en realiseren van dit soort doelstellingen over zou laten aan de mensen die die verantwoordelijkheid moeten dragen.

Wim Littooij, Voorzitter Onderwijsbestuurdersvereniging