Een beroepsvereniging voor onderwijsbestuurders

Het afgelopen (school)jaar hebben we als OBV contact gezocht met de BvPO, de vereniging voor bestuurders in het Primair Onderwijs. Het doel daarvan was het inventariseren van mogelijkheden tot samenwerking.

Er zijn verschillende vormen van samenwerking. Daarover is de knoop nog niet doorgehakt. Wel hebben we over en weer vastgesteld dat er goede redenen zijn om de samenwerking te intensiveren. En hieronder werk ik deze voor u uit. De redenen voor samenwerking komen niet zozeer voort uit de belangenbehartiging van de leden bij cao-onderhandelingen. Immers, tussen het Voortgezet Onderwijs en het Primair Onderwijs zijn er arbeidsrechtelijk nogal wat verschillen. Dat de belangen van bestuurders in vanuit deze twee verschillende verenigingen ingebracht worden, geeft geen knelpunten.

Allereerst is meer samenwerking wel gewenst waar het gaat om de professionaliseringsslag die we als bestuurders willen maken. Een instelling voor Primair Onderwijs is weliswaar bestuurlijk niet in alle opzichten vergelijkbaar met een instelling voor Voortgezet Onderwijs, maar de competenties en vaardigheden die de persoon van de bestuurder betreffen, zijn niet sector-specifiek. Bestuurders uit de ene sector zullen soms de overstap maken naar de andere sector. Opleidingen die voor een bestuurder in de ene sector nuttig zijn, zullen voor een bestuurder in de andere sector zeker niet nutteloos zijn. In het streven naar een gedragscode voor bestuurders is denken vanuit verschillende onderwijs-sectoren een handicap. Mocht er in de toekomst een register voor onderwijsbestuurders ingesteld worden, dan zal dit een register voor alle onderwijsbestuurders moeten kunnen zijn. Immers, niemand kan willen dat een bestuurder die in de ene sector voldoet aan voorwaarden voor registraties, niet werkzaam zal kunnen zijn in de andere sector.

Ten tweede geldt in de huidige institutionele context een aanvullend argument voor samenwerking van bestuurdersverenigingen. In de professionaliseringsslag spelen organisaties als de PO-raad, de VO-raad en de MBO-raad een belangrijke rol. Dat is prima, want deze organisaties hebben intern al een professionaliseringsgolf doorgemaakt, en zijn voor het Ministerie van OCW en de onderwijsinstellingen bekende gesprekspartners. Deze organisaties richten zich echter op de kwaliteit en de belangen van de onderwijs-instellingen als zodanig.

Omdat er sectorspecifieke verschillen zijn tussen organisaties in het PO, VO en MBO, kunnen deze raden niet toegroeien naar een algemeen, sectoroverstijgend perspectief. Aan een dergelijk perspectief is echter wel behoefte.

Hiervoor zijn andere organisaties nodig, zoals de Onderwijscoöperatie en de VTOI. Een organisatie voor onderwijsbestuurders waarin bestuurders uit verschillende onderwijssectoren verenigd zijn, kan de belangen en de opleidingsbehoefte van bestuurders vanuit een algemeen, sector-overstijgend perspectief inbrengen. Deze organisatie zal in de professionaliseringsslag in het onderwijs een belangrijke, eigen rol kunnen spelen.

Ik hoop dat aan het einde van het volgend schooljaar de samenwerking tussen bestuurders in het Voortgezet Onderwijs en bestuurders in het Primair Onderwijs vrucht zal hebben gedragen, en het perspectief van onderwijsbestuurders herkenbaar en duidelijk ingebracht kan worden in discussies over kwaliteit van onderwijs en goed bestuur.

Wim Littooij, Voorzitter

Wim Littooij, voorzitter OBV