De Staat van het Onderwijs is weer opgemaakt.

Evenals in eerdere opmaken vindt de Inspectie dat het onderwijs nog niet aan alle leerlingen dezelfde kansen biedt. Over deze stelling heb ik in deze blog al eens gedachten uitgeschreven. Die zal ik niet herhalen (zie 2).

Gelukkig voor mij was er in de onderwijs-layout van 2018 een nieuw element. De Inspectie signaleert dat het niveau van leerlingen en studenten terug aan het lopen is. Als onderwijsbestuurder trok ik me dit persoonlijk aan. Onderwijsbestuurders hopen dat zij door een goede organisatie van hun instelling de professionals in de gelegenheid stellen het beste uit hun leerlingen te halen. Als het niveau van leerlingen aan het dalen is, dan lijken onderwijsbestuurders daar grosso modo niet in te slagen. Want stellen, of roepen, dat het aan de professionals ligt, dat de docenten van nu minder goed zijn dan de docenten van toen, is te makkelijk. Bovendien, als de docenten die in het onderwijs werken ‘slechter’ zijn geworden, dan zijn de bestuurders daarvoor medeverantwoordelijk, of misschien wel hoofdverantwoordelijk. Hadden wij onze docenten maar eerder naar Master-bijscholingstrajecten moeten sturen of eerder een eigen Academie moeten oprichten. Of meer vertrouwen moeten hebben in onze docenten en het geld dat nu naar bijscholingstrajecten en eigen Academies gaat in de salariëring moeten laten steken.

Als het niveau van leerlingen aan het dalen is, dan raakt dat de kern van het onderwijsbestuur. Dus vroeg ik mij af hoe de Inspectie tot deze conclusie gekomen was.

Na lezing en herlezing van de Opmaak van het Onderwijs 2018 is mij dat nog steeds duister. In het rapport signaleert de Inspectie in de cijfers van nationale toetsen een dalende trend voor de leesvaardigheid en rekenvaardigheid. Internationaal scoren Nederlandse leerlingen ook minder goed dan een jaar of vijf terug. Omdat bij zo’n trend vaak als vanzelf gewezen wordt naar de toename van leerlingen met een ‘migratie-achtergrond’, zegt de Inspectie er meteen bij dat dit niet de beslissende factor kan zijn. Er zitten grote verschillen tussen scholen met een vergelijkbaar aantal leerlingen met een ‘migratie-achtergrond’. Dus, lijkt de Inspectie te willen zeggen, dus ligt het aan de organisatie van de scholen. En passant bereidt de Inspectie daarmee de aanbeveling voor meer aandacht te besteden aan kwaliteitszorg.

Het cijfermateriaal dat in dit rapport langs komt, vind ik te mager om enige trend te signaleren. De cijfers die de Inspectie gebruikt, zijn verzameld over een beperkt aantal jaren. Soms drie, soms vijf. Binnen die zeer kleine cijferreeksen doet de Inspectie aan selectief winkelen. Zo signaleert de Inspectie dat de examenresultaten van VO-leerlingen voor wiskunde in 2017 minder waren dan in de jaren daarvoor, maar daarin ziet de Inspectie (vooralsnog) geen trend naar beneden. Bij taalvaardigheid acht de Inspectie het aantal leerlingen dat het streefniveau voor taalvaardigheid bereikte, juist wel relevant, terwijl het daar om een uitschieter naar beneden lijkt te gaan. Bij rekenvaardigheid zijn de cijfers over 2017 beter dan in eerdere jaren, maar toch signaleert de Inspectie hier een dalende trend.

Corrigeren we voor de selectieve winkelroute van de Inspectie, dan blijft het materiaal uit ‘internationale studies’ over. Inderdaad, waar in andere landen het niveau voor rekenen en taal stijgt, is dat in Nederland hakkelend gedaald. (http://timssandpirls.bc.edu/timss2015/international-results/) Maar Nederland is niet het enige land waar het niveau dalend heet te zijn. Wie zich niet prettig voelt in het gezelschap van Koeweit en Saudi Arabië, zal zich mogelijk wel thuis voelen bij Duitsland en – nog niet zo lang geleden geprezen als hèt onderwijsland – Finland. En, tja, voor dit soort internationale vergelijkingen geldt dat de factor ‘migratie-achtergrond’ natuurlijk niet uitgefilterd kan worden vanuit de constatering dat scholen met veel ‘allochtone’ leerlingen het niet per se ‘slechter’ doen dan scholen met weinig ‘allochtone’ leerlingen.

Met alle respect voor de poging van de Inspectie om elk jaar bij het opmaken van de balans, stof tot maatschappelijke discussie te leveren, heb ik het idee dat de stof die dit jaar neerdwarrelt de moeite van het opvegen nauwelijks waard is.

Dat betekent niet dat we als bestuurders niet aan de kwaliteit van onze organisaties en van onszelf moeten blijven werken. Het betekent wel dat we ons daarbij niet te veel moeten laten (af)leiden door wat de Inspectie allemaal denkt te observeren.

1 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2018/04/11/rapport-de-staat-van-het-onderwijs)

2 (http://www.onderwijsbestuurdersvereniging.nl/blog-van-de-voorzitter/kansenongelijkheden/ )

Wim Littooij, Voorzitter

Wim Littooij, Voorzitter